Overheden niet klaar voor de omgevingswet

overheden niet klaar voor de omgevingswet

Hoewel de inwerkingtreding van de Omgevingswet meerdere keren is uitgesteld wordt deze op 1 januari 2024 toch van kracht. We staan nu dan ook aan de vooravond van een ingrijpende verandering op het gebied van wet- en regelgeving binnen het ruimtelijke domein.

Vereenvoudiging onder druk

In 2012 startte de voorbereidingen op de implementatie van de Omgevingswet. Belangrijkste doel van de Omgevingswet was vereenvoudiging van wet- en regelgeving en procesintegratie. Sinds de start is door het ministerie meer en meer onder de Omgevingswet geschaard. Inmiddels is de kerstboom door alle vervlechtingen zo breed opgetuigd dat het maar de vraag is of het doel van vereenvoudiging nog wel gehaald kan worden.

Kans op fiasco is groot

Met de Omgevingswet is inmiddels een overkill aan regels ontstaan, waarmee het z’n doel voorbij schiet en de uitvoerbaarheid onder druk staat. Naast inhoudelijke argumenten, slagen overheden er door capaciteitsgebrek nu al niet in om de kerntaken binnen het ruimtelijke domein naar volle tevredenheid uit te voeren. Overigens is er ook binnen het VTH-spectrum (Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving) – waar de afwegingen rondom publiek belang en medegebruik plaatsvinden-  al langere tijd sprake van onderbezetting.

Deze onderbezetting heeft tot gevolg dat gemeenten, waterschappen, provincies en omgevingsdiensten meer en meer gaan inhuren om de taken en doelen van de organisatie te kunnen halen. Kennisborging is hierbij wel een aandachtspunt.

De nieuwe samenwerking die de Omgevingswet tussen overheden vraagt heeft tijd nodig om goed te landen. Tijd die er door personeelskrapte eigenlijk niet is. Hierdoor ontstaan leemtes die de opgaven in het ruimtelijke domein zeker niet ten goede gaan komen.

Participatie is holle frase

De Omgevingswet kent participatie als een van de speerpunten, terwijl dit eigenlijk een holle frase is. De burger zou door de invoering van de Omgevingswet beter moeten kunnen participeren, maar eigenlijk schrijft de Omgevingswet alleen voor dat moet worden aangegeven op welke wijze burgers zijn betrokken. De hoe vraag wordt binnen de Omgevingswet niet gesteld. Burgers kunnen dus ook onder de Omgevingswet niet of nauwelijks betrokken worden bij ruimtelijke ontwikkelingen. En laten we eerlijk zijn: voor participatie heb je de Omgevingswet niet nodig. Binnen elk project in het ruimtelijke domein kan nu zonder Omgevingswet ook al worden geparticipeerd.

Decentralisatie en regierol Rijk

Een ander speerpunt van de Omgevingswet is decentralisatie. Daarmee krijgen lagere overheden (i.c. gemeenten) de vrijheid om beleid te maken. Belangrijke voorwaarde is dan natuurlijk wel dat deze overheidsinstanties de mensen en middelen hebben om dit te bewerkstelligen. Zoals al eerder geconstateerd ontbreekt het gemeenten in z’n algemeenheid juist aan voldoende personeel. Daarmee komt er in de praktijk waarschijnlijk weinig terecht van deze beleidsvrijheid.

Tegelijkertijd met de decentralisatie wil het Rijk meer regie nemen op de maatschappelijke opgaven. Een groot deel van deze maatschappelijke opgaven liggen juist ook binnen het ruimtelijke domein. Deze regierol lijkt haaks op de decentralisatiepijler van de Omgevingswet te staan, waardoor potentieel spanning ontstaat tussen Rijk en regio.

Duidelijkheid gewenst

Belangrijker dan de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari a.s. is het creëren van duidelijkheid  over de rol- en taakverdeling tussen de verschillende overheden. Naast dat dit de ambtenaren die in de geest van de Omgevingswet moeten gaan werken helpt, helpt dit ook zeker in het herstellen van het vertrouwen in de overheid. Er is in dat opzicht nog meer dan voldoende werk aan de winkel. Er kan nu echter wel gesteld worden dat overheden nog niet klaar zijn voor de Omgevingswet.

Deel dit bericht: